Groene Amsterdammer, 11 november 2015

Stephan Sanders schreef dat hij denkt dat hij gelovig is. Samen met Yvonne Zonderop gaat hij per brief op zoek naar wat die hang naar het religieuze nu eigenlijk is.

In geval van twijfel, grijp naar het iets

Groene Amsterdammer: briefwisseling geloofstwijfelaars

Lieve Stephan,

De protestantse kerk in Nederland houdt een enquête onder haar twee miljoen leden. Hoe het nu verder moet, want ze weten het niet meer. De remonstrantse kerk schakelt een reclamebureau in om met advertenties nieuwe aanwas te kweken. De rooms-katholieken ruziën of ze nu rekkelijker of preciezer moeten zijn om gelovigen aan zich te binden. Te midden van al deze crisistijdingen schrijf jij in Vrij Nederland dat je denkt dat je gelovig bent. Stephan Sanders, een vrijdenkend en weldenkend boegbeeld, is – tegen de officiële stroom in – religieus aan het worden. En raakt bij mij een gevoelige snaar.

Waar komt dit vandaan? Is religie weer en vogue, zoals Johan Doesburg in de Volkskrant zei, en loop ik weer eens genoeglijk op met de tijdgeest? Heeft Houellebecq een punt als hij provocerend zegt dat het tijdperk van de Verlichting ten einde is en dat we ons liever overgeven aan een religie als de islam? Of is het in mijn geval misschien de leeftijd? Mijn 24-jarige dochter zei dat althans toen ik haar schoorvoetend van mijn groeiende belangstelling voor godsdienst vertelde: dat hoort bij de leeftijd, mam.

Maar ik ervaar het anders. Waar komt deze hang vandaan? Ik zou het graag onderzoeken, in een briefwisseling met jou, hoe lastig ook. Want schrijven over geloven is als glibberen op het ijs. Geloof, de kerk, de bijbel, probeer het maar eens te ontwarren.

In mijn studententijd liep ik stampvoetend van woede door de Sint Pieter, omdat zo veel doodarme zielen zo veel nutteloze overdaad hadden opgebracht. Ik wilde er niets mee te maken hebben, zoals de meesten in mijn generatie. Veertig jaar later hangt er nog steeds een waas van rariteit omheen. Ik lunchte laatst met een jonge journalist van wie ik wist dat hij gelooft. Na drie kwartier kwam het hoge woord er tegenstribbelend uit. Hij deed me denken aan een homo die aarzelend uit de kast komt. Het voelt niet veilig om met je geloof te koop te lopen.

De woorden komen dus niet vanzelf. En als je bedenkt hoeveel er al over religie is geschreven, is het moeilijk de moed niet in de schoenen te laten zakken. Zoveel eeuwen denkkracht – en daar komt Kuifje Afrika verkennen. Is het hovaardij, kenmerkend voor deze tijd van private bekentenissen? Of zijn er mensen, leeftijdgenoten, die zich in ons herkennen?

Ik kom uit een rooms nest, maar mijn ouders waren rooms-katholiek uit conventie. Het was de club waarin ze nu eenmaal geboren waren en waarbinnen hun gehele leven zich afspeelde, van voetbalclub tot groenteboer. En ofschoon mijn grootvader naar het schijnt diepgelovig was en het liefst heeroom was geworden, is daar bij mijn moeder weinig op overgedragen. Net als ieder kind vroeg ik naar de vele ongerijmdheden die het geloof met zich meebrengt. Hoe kon God nu overal tegelijk zijn? Hoe kon Jezus alles weten en moest ik toch in een biechtstoel bij die ­vervelende kapelaan vertellen dat ik een koekje uit de trommel had gegapt? Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zei mijn moeder dan. Pas veel later realiseerde ik me dat ze het zich niet kon veroorloven om mij de waarheid te zeggen: namelijk dat ze er zelf ook niets van geloofde. En dus zei ze: als je in de hemel komt, mag je de hele dag naast Jezus zitten. Wat een doodsaai vooruitzicht was dat!

Pas nu ze in haar levensavond is, geeft mijn moeder openlijk af op de hardvochtige nonnen bij wie ze een paar jaar in het weeshuis moest verblijven. Ze moet van religie helemaal niets meer hebben. Eens per week gaat ze kaarten bij een sociëteit van de plaatselijke protestantse kerk – en dat is dan weer mooi. De dames hebben haar op ontroerende wijze in hun midden opgenomen. Als ze maar niet hopen dat zij daarmee nader tot hun kerk komt.

Dus ik geloof niet dat ik teruggrijp op een sluimerend geloof van weleer. Het inzicht dat veel mensen wel degelijk geloven en niet hun handen vouwden in de kerk omdat dit zo hoorde, drong pas laat tot mij door. Als je niet het type bent dat zich gemakkelijk overgeeft, begrijp je het ook van de ander minder. Het idee van een hogere macht die een bedoeling heeft, botst op mijn drang tot zelfbeschikking. Ik weet heus dat de ratio minder heeft in te brengen dan we onszelf neigen voor te spiegelen. Toeval en geluk, liefde en lot oefenen een intense en onnavolgbare macht over ons uit. Maar is er wellicht een tussenpositie denkbaar tussen overgave en eigen kracht?

De term ‘geloof’ helpt ook niet mee. Ik heb het liever over ‘faith’, een term waarvoor het Nederlands geen synoniem kent, en die geloof, hoop en liefde in één woord samenpakt. Ik associeer ‘geloof’ met stellingen die je voor waar aanneemt, hoe onwaarschijnlijk ook. Wie gelooft, zet haar verstand doelbewust opzij. Faith daarentegen verwoordt de steun die je ontleent aan het vertrouwen op een kracht buiten jezelf. Mijn Engelse vriend Gerard zegt dat de meeste mensen hun geluk ontlenen aan ‘art, faith or nature’ – aan kunst, natuur of aan religieus getint vertrouwen, en dus niet aan geld of economische groei. Roland van der Vorst, een geestverwant, sluit daar in zijn mooie boek Hoop op aan. Kunst, natuur en traditie vervullen je van een ideaal dat al lag opgesloten in je ziel, schrijft hij. Faith refereert daaraan. Het bemoedigt, in plaats van dogma’s te presenteren. Je kunt ernaar verlangen.

Opvallend, trouwens, dat er buiten Nederland over religie zo veel minder moeilijk wordt gedaan, terwijl wij toch die eeuwenoude traditie van religieuze tolerantie hadden. Sinds we ons bevrijdden van de verzuiling, zijn we veel nuances kwijtgeraakt. Wie gelooft, moet óf gehoorzamen aan een man met een baard, óf hij is ten prooi aan een vorm van ‘ietsisme’. Over de vraag of het bestaan van God te bewijzen valt, wordt, liefst wetenschappelijk, serieus debat gevoerd. Maar waar wordt de beleving erkend? Ook daarom vond ik jouw ‘bekentenis’ zo mooi. De vraag of God dood is of toch bestaat, vind ik steeds trivialer, schrijf je. Het gaat om willen of niet willen geloven. Dat lijkt mij helemaal waar.

Ik wil alleen geloven als ik niet per se hoef te geloven. David Brooks beschreef dat mooi in zijn column in The New York Times. ‘Insecure believers sometimes cling to a rigid and simplistic faith. But confident believers are willing to face their dry spells, doubts, and evolution. Faith as practiced by such people is change. It is restless, growing. As the longings grow richer, life does, too.’

Geloof als inspiratiebron voor je dagelijkse leven, dat vind ik interessant. Zoals de joodse psychiater Herman van Praag in een ontroerend interview in NRC Handelsblad. Zelfs gedurende zijn verblijf in Theresienstadt is Van Praag zijn geloof niet kwijtgeraakt. Dat was mede omdat hij zijn geloof beleeft als een opdracht om een goed leven te leiden, niet als een kans op een plaatsje in de hemel. Van Praag memoreert dat in het Oude Testament het hiernamaals helemaal niet voorkomt. Hij zegt: ‘Het gaat om het leven op aarde. De Eeuwige verwacht dat de mens zich een doel stelt: de beschadigde wereld te vervolmaken. Je doet het niet voor God, je doet het om een zinvol en productief leven te leiden.’ Dit past in het beeld dat mijn vriend Ruben, die dominee is, vaak schetst. Het is geen toeval dat het volk Israëls het beloofde land nooit bereikt. Het beloofde land is een streven, niet een bestemming, want de reis is nooit af. Al tekent hij daarbij aan dat er wel iets is beloofd.

Daar voel ik mij senang bij. Maar waarom zou je daar nog een God, een Heer, of een Eeuwige bij nodig hebben? Als het leven toch een constant streven is, kunnen we het ook wel zonder Hem, zou je denken. Hier komen we volgens mij bij de crux van wat geloven is: het gevoel dat je in dat streven steun en inspiratie ontleent aan een immense, autonome kracht buiten jezelf. De steun komt van buiten, je peurt hem niet uit jezelf.

Ik ben nog niet zo ver, en ik weet ook niet zeker of ik zo ver ga komen. Maar het houdt mij wel bezig. Jarenlang riep ik wetenschapsfilosoof Karl Popper na: ‘Optimism is a moral duty.’ Maar de laatste tijd word ik vatbaarder voor de lokroep van de hoop. Tussen hoop en optimisme zit een essentieel verschil. Optimisme is een houding waartoe je zelf besluit. Popper vond het onze plicht om optimistisch te zijn, juist omdat we niet weten of het beter of slechter gaat worden. Hoop werkt anders; het is een gemoedstoestand, niet een besluit. Hoop wordt gewekt.

Door God, zeggen mensen die geloven. Over dat laatste aarzel ik. Maar ik weet wel dat hoop, in tegenstelling tot optimisme, erkent dat we het niet allemaal in de hand hebben, dat het leven niet rationeel is en niet eenduidig. Hoop past veel beter bij faith, bij dat eeuwige streven waar Herman van Praag het over heeft. Je weet dat je nooit klaar bent, en toch ga je door. Omdat de hoop je voortstuwt, juist als het zwaar valt. We willen zo graag onze hoop op iemand vestigen – ik ondanks alles ook.

Je merkt, het gesprek in mijn hoofd is niet afgerond. Geloven of niet is voor mij een kwestie van denken, net zo goed als willen. Dat is meer protestants dan katholiek, zo begrijp ik. Het reflecteert mijn leven nu, niet de relicten uit mijn jeugd. Wel de hoop en wel vertrouwen voelen, zonder te zeggen: ik geef mij over. Wat denk je, geloof ik dan al?

Liefs, Yvonne

 

Over de vraag of het bestaan van God te bewijzen valt, wordt serieus debat gevoerd. Maar waar wordt de beleving erkend?

Lieve Yvonne,

Wat een mooie laatste zin, die van jou: eerst schrijf je ‘wel de hoop en vertrouwen te voelen’ zonder dat je wilt spreken van overgave, en dan vraag je aan mij nota bene: ‘Wat denk je, geloof ik dan al?’ Ik begon zenuwachtig te giechelen toen ik las dat jij waarde hecht aan mijn oordeel over jouw (mate van) gelovigheid, alsof ik daar meer verstand van zou hebben dan wie dan ook. Maar het is een terechte vraag, want de laatste jaren stel ik ’m mezelf vaak, bij voorkeur ongelovig en Thomas-achtig: ‘Is dit nou wat ze bedoelen? Waar ze de hele tijd over praten?’

Het beste, en ook zeer bekende antwoord komt natuurlijk van Gerard Reve, die ik zonder twijfel de vijfde en tevens belangrijkste evangelist wil noemen in mijn queeste naar geloof. ‘Eigenlijk geloof ik niets,/ En twijfel ik aan alles, zelfs aan U.’ Zo begint die vaak geciteerde Dagsluiting waarin Reve, inderdaad ‘vanuit de diepte’ (Psalm 130, nieuwe bijbelvertaling) smekend hoopt om gekend en gehoord te worden. ‘Eigenlijk geloof ik niets...’ Dat is toch weer een andere zin dan: ‘Ik geloof eigenlijk niets’, een frase die jarenlang in mijn mond bestorven lag.

Een tijdlang, zo tussen mijn vijftiende en 45ste, heb ik zelfs nadrukkelijk en behoorlijk fanatiek verklaard: ‘Ik geloof niet, nee, ik geloof in niets’, waarna tal van argumenten volgden die mijn niet-geloof moesten ondersteunen. Kennelijk vond ik het geen probleem dat het Niets zoveel ondersteuning behoefde. Mijn favoriete uitsmijter was altijd deze: ‘Een Schepping zonder God is toch een groter wonder dan eentje met.’ Die had ik dan weer geleend van Peter Schat, de componist en oudere vriend met wie ik een tijd in een huis heb gewoond – hij had een zeer gelovige, gereformeerde jeugd doorgemaakt, en wij hebben lang het ritueel gekoesterd van een theologisch dispuut: we prikten dan onderwerpen die zich voordeden in de krant van die dag, en hij nam het protestantse standpunt voor zijn rekening en ik het katholieke. Toen toch al (ik zal eind twintig, begin dertig zijn geweest).

Het was een spel, want Peter geloofde officieel niet meer, en ik vond het gewoon niet intelligent genoeg, geloven, als bijdetijdse filosofie- en politicologiestudent. Maar het werd toch telkens menens, we vergaten als het ware onze verlichte, atheïstische status, en ik herinner me dat ik, bijna klemgezet door Peter, uitriep: ‘Maar man, het gaat om het Mysterie. Hoe kun je dat nu niet begrijpen.’ Waarna we deze oprispingen, waar we zelf van schrokken – vooral ik – snel gingen afdrinken in de dichtstbijzijnde homobar – wat had die God eigenlijk voor homo’s gedaan?

Heel veel later, dit speelt een paar maanden geleden, voelde ik me betrapt. Willem Jan Otten had de P.C. Hooftprijs gekregen, ik zou hem interviewen voor een zaal, en aangezien wij elkaar wel eens eerder hadden gesproken en ik een groot liefhebber ben van zijn werk was er een informeel onderonsje na afloop. Willem Jan, die zoals je weet rooms-katholiek is geworden, en daarom de smaad heeft moeten verduren van het Gelovige Niet-Gelovige deel van intellectueel Nederland, zei tussen neus en lippen door: ‘Maar als ik jou zo hoor en lees, dan geloof je natuurlijk al lang. Je spreekt gelovig, onder de dekmantel van de ongelovige.’

Ik weet niet of ik correct citeer, maar daar kwam het op neer en zoals gezegd voelde ik me betrapt maar ook gesterkt. Betrapt, want uit pure deftigheid bleef ik veilig spreken vanuit het in mijn kringen voorgeschreven niet gelovige standpunt. Gesterkt toch ook, want ineens werd de mogelijkheid geopperd dat ik niet langer hoefde te vechten, te talmen, te aarzelen en te redetwisten, met anderen en vooral met mezelf, maar dat ik het stiekem al was. Zwanger. Gelovig. Geboren. (Zoals je mag aannemen dat je geboren bent, ook als daar zoals in mijn adoptiegeval geen tastbare bewijzen voor bestaan, behalve jezelf. Laat ik er dit over zeggen: ik mis geloof ik vooral de Moeder die mijn geboorte kan en wil bevestigen.)

Ik ben geneigd, Yvonne, te zeggen: ‘Ja, jij gelooft.’ Jij bent bezig met geloven, en dat is het. Dit twijfelen, ineens denken: ‘Laat ik gvd stoppen met die onzin’, om daarna toch weer tegen heug en meug te moeten constateren dat het Evangelie van het Niets je te mager is. Te resoluut ook, te stellig. ‘In geval van twijfel, grijp naar het iets’, heb ik mijzelf de laatste jaren geleerd. Nee, dat betekent in mijn geval niet het ‘ietsisime’, waar oud-columnist Plasterk zo fijntjes gehakt van heeft gemaakt – geheel ten onrechte, vind ik inmiddels: iets­isme lijkt me heel wat realistischer dan het nietsisme, waarin bijvoorbeeld Heidegger zo uitblonk, en waarvan de filosoof Carnap dan weer filosofisch gehaktbrood maakte. Zeker van het Niets dat ook nog eens kan ‘Nietsen’. Daarbij is geloven in God: appeltje, eitje.

Jij haalt terecht een citaat aan van David Brooks, waarin hij beschrijft hoe de niet-gelovige zich het geloof altijd voorstelt als iets wat helemaal af is. Als een smaakvol ingericht appartement waar je zo kunt intrekken. ‘Turn key’ zegt de makelaarsmaffia. Ik heb die sleutel en trouwens ook dat slot niet gevonden, en toch afficheer ik me steeds meer als een ‘gelovige’: eerst heb ik dat voorzichtig gedaan, onder goede vrienden, eens kijken hoe dat stond, ik in zo’n belachelijke kilt. Je zult het vast herkennen, ik noem het ‘proef-geloven’ en dat doet me denken aan mijn zeer veel jongere zelf, toen ik als jongen de gewoonte ontwikkelde om nieuwe vreemde woorden uit te proberen, zonder dat ik precies wist of wilde weten wat ze officieel betekenden. Ik zei dan bijvoorbeeld: ‘Nee, vandaag geen melk; vandaag wil ik wel een aperitief.’ Waarna gelach en uitleg. Ik realiseer me dat ik als kind lange tijd zo met taal ben omgegaan, gevoelsmatig. En ik vond het een enorme teleurstelling wanneer ik uitgelegd kreeg dat een woord alleen maar dit of dat kon betekenen, en niet die hele fijnmazige wereld die ik er zelf had ingelegd.

Ik denk dat geloven neerkomt op oefenen, veel en vaak piano. Ik zit, net als jij, in het beginnersklasje, en alleen al dat vind ik thera­peutisch, want durven wij het als vijftigers nog aan ‘absolute beginners’ te zijn? Hoe geestig ik de opmerking van je dochter ook vind (‘het is de leeftijd’): zo’n late coming out is vooral belachelijk, voor je eigen gevoel.

Zelf maakte je al de vergelijking met de homoseksuele coming out, en wat me vooral verbaast, en ook fascineert, is de onbehoorlijke hoeveelheid schaamte waarmee mijn geloofszoektocht gepaard gaat. Het hoort zo Helemaal Niet, kennelijk, mijn zelfbeeld krijgt er een knauw van; hoor ik nog wel bij Ons Soort Mensen, ook dat statusangstige speelt een belachelijk grote rol. Lieve help, jij bent nog een klein beetje meer van de generatie die zich alleen nog wilde ‘schamen voor de schaamte’ en wat is die indoctrinatie geslaagd, wat beginnen we te blozen als we het woord geloof in de mond moeten nemen zonder te smalen, laat staan G... Het is absurd, dat ‘schoorvoeten’. Met het geloof sta je echt in je blootje.

Nu denk ik: zoveel schaamte, da’s interessant. Bij elk ander onderwerp word ik uitgedaagd zodra ik merk dat ik al schrijvend zoveel innerlijke weerstand ontmoet. Schaamte is mijn geigerteller bij het schrijven. En dat zou nu ineens niet zo zijn vanwege de twee G’s (Geloof en God)?

Toch moet ik van jongs af aan een gevoel hebben gehad dat er iemand is die je hoort. Geen iets, maar een Iemand. Ik schrijf tenslotte, ik geloof in personages. Die iemand hoort je, maar verhoort niet per se – bijvoorbeeld je gebeden. Ik weet dat ik als kind al lange monologen afstak tegen niemand in het bijzonder, maar toch zeker wel aan Iemand of, vooruit Iets. Ik vroeg niet om praktische zaken, maar sprak als tegen de Goede Verstaander. Het hoorde zo bij me, en mijn ouders waren er kennelijk aan gewend, dat pas bij de eerste keer samenwonen mijn toenmalige geliefde me wees op het ongerijmde ervan.

Ben ik alleen thuis, zonder D., doe ik het nog steeds. Weer. Het spreken tot, praten tot. Ik vrees dat mensen zoiets een gebed noemen. Renate Rubinstein schreef over de Amerikaanse dichter/radicaal/filosoof Paul Goodman in haar echtscheidingsperiode, toen haar beschermende ‘wij’ net was weggevallen. Citaat: ‘Paul Goodman heeft voor dat probleem een oplossing gevonden. Hij heeft God uit de grond gestampt. Hij gelooft niet in hem, maar hij behandelt hem met respect en zonder ironie, omdat hij zo iemand is en omdat hij hem zelf verzonnen heeft.’ ‘De naam van God is’, zegt hij, ‘Spoken To.’

Dit is, zeer kort, mijn geloofsbelijdenis – ik begin dus wel te geloven in ‘hem’, de Toehoorder. Ik zou niet schrijven zonder lezer. Zonder ‘Spoken To’ zou ik de taal verlaten, die mij meer bepaalt dan wat ook.

Ik merk dat ik niet mijn eigen baas ben, mijn eigen werk of ‘product’, mijn maakbare entiteit, maar dat, zoals Pascal al schreef, mijn ‘hart zijn redenen heeft die de rede niet kent’. Tegelijkertijd geloof ik dat ik gekend word, begrepen – door een bovenmenselijke kracht, die meer is dan de som van alle mensen, maar daar ook weer een extract van is.

Ik geloof dat ik wil geloven – en dat het me soms lukt, op de momenten wanneer ik dat het minst verwacht. De kwestie van de ‘overgave’ is zeer aan me besteed. Lang heb ik geworsteld met drank en vooral te veel daarvan. Met drank kan en kon ik de overgave afdwingen, op bestelling krijgen. Ook nog naar AA-bijeenkomsten geweest, waar ze je vragen je over te geven aan een ‘Higher Power’. Dat was daar en toen onmogelijk voor mij, ik kon de woorden niet uit mijn strot krijgen. Fysiek onmogelijk. Maar ik zeg nu ‘God’ en hoef dat woord niet door te spoelen met twee of drie flessen wijn. Het is een begin. Van wat? Het is een begin.

Wat beginnen we te blozen als we het woord geloof in de mond moeten nemen zonder te smalen, laat staan G... Het is absurd, dat ‘schoorvoeten’

God, wat heb ik deze brief lang uitgesteld, de dingen worden voor mij pas waar als ze ‘geschreven zijn’ – en dat wilde ik kennelijk niet. Of wel, maar dan met een tegenzin die veel halsstarriger is dan wat de meeste mensen onder Geloof verstaan. gt;

Tot slot: laat me die bekende Dagsluiting van Reve afmaken: ‘... (zelfs aan U)/ Maar soms, wanneer ik denk dat/ Gij waarachtig leeft,/ dan denk ik, dat Gij liefde zijt, en/ eenzaam, en dat in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/ zoals ik U.’

Mooier kan ik het niet maken,

Liefs, Stephan