Wie is er nu eigenlijk in het voordeel?

Liever klein dan groot?

voordelen van een kleine gemeenschap

We zijn ermee vertrouwd: de preekbunkers van de orthodoxe protestantse kerken aan de rand van de Veluwe waarin honderden gelovigen zich op zondag verzamelen. Daartegenover de enorme kathedralen van de Rooms-katholieke kerk waarin zich meermalen maar een handjevol gelovigen bevinden om de mis bij te wonen.

In de vrijzinnigheid zijn de (kerk)gebouwen klein en is het ledental van de diverse geloofsgemeenschappen in het algemeen niet zeer groot. Maar het aantal leden dat zich ’s zondags naar een dienst of viering begeeft, is in verhouding wel groot: vaak meer dan 50 % van het totaal aantal leden. Bij de grote kerken ligt dit veel lager: kerkbezoek van meer dan 30 % van de aangeslotenen komt zelden voor. De betrokkenheid van de leden bij kleine (geloofs)gemeenschappen is duidelijk groter dan die bij hele grote gemeenschappen en dat is ook niet verwonderlijk. Als de groep waar je je bij aangesloten hebt groter wordt, gaat dat ten koste van de directe contacten die je met de anderen van de groep kunt onderhouden. In een gemeenschap van 100 à 150 leden kun je elkaar nog goed kennen, maar daarboven wordt het al wat moeilijker. En in een gemeenschap waarin op zondag de kerken met honderden gelovigen, soms wel duizend, zijn gevuld, is het ondoenlijk om met alle leden persoonlijke contacten te onderhouden.

Gemeenschappen streven er in het algemeen naar om groot te worden. Groot zijn heeft natuurlijk voordelen, want het geeft financiële armslag en soms verschaft het je ook invloed in discussies over ethische vraagstukken als die onderwerp van politiek beleid zijn. Maar groot zijn heeft ook een sociale prijs, want tussen de leden van een grote groep is de cohesie niet zo hecht. Die moet dan voornamelijk in stand gehouden worden door het gezamenlijk beleden geloof en juist op dat punt wringt het vaak. Wat je gelooft en hoe je daar uitdrukking aan wilt geven, dat is iets waarvan je niet wilt dat je dat wordt voorgeschreven.

In de vrijzinnigheid staat de persoonlijke geloofsbeleving voorop. Je bevraagt elkaar niet op de zuiverheid van je geloof en je neemt elkaar de maat niet over wat je wel of niet behoort te doen. Vrijheid van geloven en vrijheid om te leven naar je eigen inzichten is uitgangspunt en richtsnoer van vrijzinnig zijn. Zonder groepsdwang en zonder opgelegde ideeën over wat hoort of niet hoort. Wij zijn niet rekkelijk of precies, wij zijn van de buitencategorie vrijzinnig.

Dat kun je kernwaarden van vrijzinnige geloofsgemeenschappen noemen en die waarden komen het best tot hun recht in een gemeenschap waarin de contacten tussen mensen spontaan en direct kunnen zijn, zonder sturing van bovenaf.

Wij, als Walkartgemeenschap, tellen krap honderd leden. Dat is niet groot, maar juist omdat dat zo is, kunnen we onze ervaringen moeiteloos en zonder regels met elkaar delen en uitwisselen. Wij kennen elkaar en wij weten wat we aan elkaar hebben. Procedures en voorschriften zijn bij ons nauwelijks nodig, want de lijntjes zijn kort en overzichtelijk. Dat geeft geestelijke verrijking en warmte in de omgang met elkaar, elementen van wezensbelang. Daarin zijn wij ons en daarmee is ook de vraag gesteld: is het niet beter om klein te blijven dan groot te willen worden? Het komt dit jaar aan de orde op allerlei manieren en het staat opgeschreven in het boekje dat voor u ligt. Het wordt spannend om te horen en te zien welke gedachten kunnen worden ontwikkeld over de voors en tegens van klein of groot. Ik kijk er in ieder geval naar uit.