Walkartgemeenschap Zeist, Kerkweg 19-23, 3701 Zeist
Mr. drs. Johan de Wit is onze voorganger. Hij is in Leiden en in Kampen opgeleid tot jurist en theoloog. Naar eigen zeggen heeft hij zijn theologische studie ervaren als een heel uitgebreide cursus algemene ontwikkeling.
De verbeelding waartoe de menselijke geest in staat is, blijft hem verwonderen en vanuit die verwondering spoort hij ons aan tot zelfonderzoek.
Alles begint en eindigt bij het kennen van jezelf en wat ons is overgeleverd uit de oude boeken en met name de leringen en uitspraken van Jezus helpen ons daarbij. Door het filter van de man uit Nazareth kunnen wij de wereld anders zien dan wij gewend zijn en dat is, aldus Johan de Wit, het grote geheim van religieus zijn.
De vrijzinnigheid is voor hem de enige geloofsrichting waarin het raadsel van de verhouding tussen God en mens en ons bestaan in deze wereld op een aanvaardbare en voorstelbare manier ter sprake gebracht wordt.
Kern van de overdenking
De belevingswereld van de aartsvaders in het OT was een totaal andere dan die van ons moderne mensen. Wij zijn door de leringen van het christendom gewend om naar God te kijken als de bron van liefde en alle goeds. Maar Abraham, Isaäk en Jacob waren geen christenen. Zij leefden in een harde wereld die hun strijd en tal van teleurstellingen bracht. Uit hun aanvankelijk mondelinge overleveringen valt af te leiden dat zij de minder welgevallige gebeurtenissen in hun leven verklaarden met mythologische verslagen waarin de verantwoordelijkheid voor die gebeurtenissen toegerekend werden aan de grillen en luimen van het goddelijke. Dat inzicht maakt Genesis begrijpelijker en rijker.
Overdenking (de aartsvaders in Genesis)
Bijbeltekst: Genesis 12: 1-9
Het verhaal over de aartsvaders van Israël begint bij Abram, een nakomeling van de zoon Sem van Noach.
Abram, zijn latere naam is Abraham, vader van velen, volgt het bevel van zijn God (Sta op en ga!) op en verlaat zijn woonplaats in Haran. Op nogal laconieke wijze vertelt de schrijver van Genesis dat Abraham het bevel van God opvolgde en met achterlating van het huis zijns vaders vertrok naar een land waarvan de bestemming onbekend was, God zou hem die wijzen. Wij weten in onze tijd hoeveel pijn en verdriet gepaard gaat met het vertrek van mensen naar onbekende landen met achterlating van hun bezittingen en het leven dat zij hebben opgebouwd, maar hier in Genesis blijkt nergens dat Abraham ook maar een moment getwijfeld heeft of hij het bevel moest opvolgen.
En dat terwijl de belofte die God hem deed, buitengewoon zwak was. De vrouw van Abraham, Sara, was onvruchtbaar, het beloofde land werd bewoond door Kanaänieten en was bovendien nog geheel onontgonnen. Hoe kon Abraham erop vertrouwen dat hij vele nakomelingen zou hebben, dat hij een grote naam zou krijgen en gezegend zou zijn?
Abraham was nog niet in Kanaän aangekomen of er was hongersnood. Hij moest vluchten naar Egypte om daar aan voedsel te kunnen komen. De belofte van God was een raadsel en leek alleen betrekking te hebben op de toekomst. Want het heden was onveilig en wierp geen vruchten af. De schrijvers van Genesis laten zien dat de omgang met God niet bevorderlijk is voor je gemoedsrust.
Abraham vraagt herhaaldelijk aan god of het wel goed komt met de beloften die hem zijn gedaan. Hoe kan hij een talrijk nageslacht krijgen met de onvruchtbare Sara en hoe kon hij erop rekenen dat zijn nakomelingen het land Kanaän zouden bezitten? Hij was in dit land heel kwetsbaar en was op zeker moment zelfs gedwongen om zijn neef Lot te redden uit de handen van overvallers.
Het geloof van Abraham bracht niets anders dan strijd en God moest keer op keer zijn belofte herhalen. In hoofdstuk 15 wordt verteld dat Abraham in een diepe slaap viel en dat God hem toen zei dat zijn nakomelingen verbannen zouden worden en vierhonderd jaar lang als slaven zouden worden onderdrukt. Dat is nou niet bepaald een belofte waarop je zit te wachten. Er staat weliswaar geschreven dat God te zijner tijd het onderdrukte volk zou bevrijden uit zijn slavernij, maar vierhonderd jaar is een lange tijd en het is niet erg waarschijnlijk dat Abraham nog iets aan deze bevrijding zou hebben.
Abraham was niet die rots in de branding die mij in de bijbellessen op mijn lagere school werd voorgehouden. De geschiedenis van zijn lotgevallen in Egypte laat zien dat zijn dat hij in ethisch opzicht allesbehalve smetteloos was. De Egyptenaren waren erg gecharmeerd van de schoonheid van Sara en Abraham was bang dat de farao hem zou doden en Sara daarna als vrouw zou nemen.
Daarom sprak hij met haar af dat zij zou zeggen dat zij de zuster van Abraham was en hij er dan misschien goed van af zou komen. Dit bedrog pakte goed uit: de farao nam Sara op in zijn harem en overlaadde Abraham met geschenken. Hij kreeg schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen. Maar God trof de farao met plagen omdat hij diens gedrag verwerpelijk vond. Heel onlogisch, want de farao trof eigenlijk geen schuld, hij was misleid door de leugens van Sara en Abraham. Toen de farao achter de toedracht van een en ander kwam, stuurde hij Abraham en zijn vrouw het land uit.
Wonderlijk genoeg bleek Abraham ook in staat tot compassie. Als God hem mededeelt dat hij Sodom en Gomorra als haarden van liederlijkheid en goddeloosheid wil vernietigen, vraagt Abraham hem om dit niet te doen zolang er nog een paar rechtvaardigen in deze steden te vinden zijn. Dat is een heel andere houding dan die van Noach, die slaafs het bevel tot het bouwen van een ark opvolgde zonder dat ook maar ergens blijkt van enige betrokkenheid van zijn kant met allen die zouden omkomen in de aangezegde zondvloed. De geschiedenis van Sodom en Gomorra en de vrouw van Lot die in een zoutpilaar veranderde, het is overbekend en daar hoeven we nu niet langer bij stil te staan.
Abraham kon ook wreed zijn. Sara en hij bleven kinderloos en in het antieke Mesopotamië was zo'n leven nutteloos en zonder enige betekenis. In die oude culturen was het hebben van nageslacht een absolute voorwaarde voor het overwinnen van sterfelijkheid en het voortzetten van de bloedlijn. Het ontbreken van nageslacht was eindigen in het niets, de grootste ramp die je kon overkomen.
Sara gaf daarom Hagar, een slavin in haar huishouding, aan Abraham met de bedoeling dat hij Hagar zwanger zou maken en inderdaad, Hagar gaf hem een zoon, Ishmaël. In die oude tijden was het gebruikelijk dat een onvruchtbare vrouw haar echtgenoot en vrouw gaf die hem een kind zou baren. Bijkomende voorwaarde was dat de man dan geen concubine zou nemen.
Toen echter tegen alle verwachtingen in Isaäk was geboren uit Sara, stond zij erop dat Abraham Hagar en haar zoon zou verbannen. Heel onrechtvaardig, want het arrangement met Hagar was door Sara zelf gemaakt in haar voordeel. Maar Abraham doet wat zij wil en stuurt Hagar met haar zoon met een beetje water en brood de woestijn in.
In onze tijd en in onze samenleving zouden we een man die zijn bedgenote en haar kind aan zo'n gevaar zou blootstellen, zonder meer als harteloos en misdadig veroordelen. Maar er was bij Abraham ook al van het begin af aan een bepaalde hardheid te bespeuren. Hij verliet zijn familie zonder ook maar even achterom te kijken. En hier, hier is hij bereid om zijn eerstgeboren zoon ter dood te veroordelen. Genesis 21 schrijft:
Hagar trok de woestijn in en doolde daar rond. Toen het water op was liet ze haar kind onder een struik achter en ging een eindje verderop zitten omdat ze niet kon aanzien hoe haar kind stierf. Maar God, aldus enige verzen verderop, liet haar een waterput zien en beschermde de jongen zodat hij voorspoedig opgroeide.
Ishmaël zou de stamvader worden van de Arabieren. In Genesis wordt beschreven dat Ishmaël geen enkele wrok koesterde tegen Abraham en diens nakomelingen en dat is wel van een tragische ironie als wij bedenken hoe groot de vijandigheid heden ten dage is tussen de Arabische volken en het joodse volk.
Van Isaäk, de erfgenaam van Abraham, vernemen wij niet zo veel als je zou kunnen verwachten. Hij is een van de hoofdpersonen in het drama op de berg Moriah, het verhaal over het offer van Abraham, een geschiedenis die tal van exegeten het hoofd heeft doen breken over de mogelijke betekenis van de uitzonderlijk sadistische opdracht van God aan Abraham om zijn enige zoon van Sara te offeren.
Hoe Isaäk gereageerd heeft op het feit dat zijn vader bereid was om hem in koele bloede te doden , weten we niet, de bijbel zwijgt erover. Na de geschiedenis van het offer van Abraham horen we niet anders meer van Isaäk dan zijn woorden op zijn sterfbed. Isaäk is uitgesproken de meest passieve figuur in het relaas van de aartsvaders. In nog geen twee hoofdstukken na Abrahams dood zien we Isaäk als een vroeg blind geworden man die langzaam sterft, het lijkt een voorbeeld van een diep beschadigd leven.
In de christelijke religie wordt vaak de indruk gewekt dat kennis van God de garantie is voor een voorspoedig en harmonieus leven. We zullen de liefde van God voelen en daardoor een heel mens worden. Maar hier in Genesis wordt duidelijk dat de omgang met God helemaal geen garantie is voor een rustig en heilzaam bestaan.
Want uit het verhaal van de aartsvaders valt duidelijk en onmiskenbaar af te leiden dat het niet eenvoudig is om te leven met het heilige, met een bovennatuurlijk wezen dat goddelijke bevelen geeft in een verwarrende en gevaarlijke wereld. Adam, Kaȉn, Noach en Lot, zij faalden en raakten, ieder op hun eigen manier, beschadigd en verweesd in hun omgang met God. Het is ironisch dat Isaäk, juist hij de zieke en blinde man, door God werd verkozen als stamvader in plaats van de robuuste en meer effectieve Ishmaël. Isaäk wordt weliswaar door God gezegend in die zin dat hij een rijk man werd, veel vee bezat en een grote huishouding, maar de zegen die hij van God ontving kreeg hij in Genesis 26: 24 omwille van Gods dienaar Abraham. Zelfs voor God bleef Isaäk een non-descripte figuur.
Isaäk trouwt met Rebekah. Rebekah baart een tweeling, Esau en Jakob. Tijdens haar zwangerschap krijgt zij van God te horen dat zij twee volken voortbrengt en de oudste van de tweeling de jongste zal dienen. Esau wordt het eerst geboren en omdat hij bedekt was met rood haar, wordt hij zo genoemd. Zijn naam betekent de ruige. Jáakov komt er achteraan
Jakob blijft een raadsel. Zijn gedrag is soms schokkend en storend en dat blijft zo tot de laatste hoofdstukken van Genesis. De verkiezing van Jakob door God maakt duidelijk dat het morele gehalte van een mens niet beslissend is voor de keuze van God. De naam Jakob heeft de betekenis van bedrieger, hij zal bedriegen.
Zijn diefstal van de zegen van Isaäk was in overeenstemming met de wil van God, maar zijn handelwijze in samenzwering met zijn moeder Rebekah blijft toch uiterst dubieus. De blinde Isaäk werd door het tweetal moeder en zoon misleid doordat Jakob zich voordeed als Esau met zijn armen bedekt door een dierenvacht en Esau werd hierdoor op volkomen onterechte wijze van zijn eerstgeboorterecht beroofd.
Esau was vastbesloten om Jakob te doden, die daarop naar de familie van Abraham in Mesopotamië vluchtte. Eens te meer was hier, net als bij Abraham, sprake van een verdeeld en ongelukkig gezin. Jakob bood zijn diensten aan aan zijn oom Laban, die blij met hem was. Want onder het bewind van Jakob gedurende twintig jaar groeide zijn veestapel. Hij viel al direct als een blok voor Rachel, de jongere dochter van Laban en hij vroeg om haar hand. Laban verbond er de voorwaarde aan dat hij na zeven jaar werk met haar mocht trouwen.
Toen het zover was, moest Jakob na de huwelijksnacht tot de ontdekking komen dat hij niet met Rachel maar met Lea, de oudste dochter van Laban was getrouwd. Laban had hem bedrogen, Jakob de bedrieger werd op zijn beurt het slachtoffer van de traditie dat niet de jongere, maar de eerstgeborene voorrang kreeg, want Laban, over dit bedrog aangesproken door Jacob, wees hem erop dat de traditie vereist dat de oudste dochter het eerst werd uitgehuwlijkt. Na nog eens zeven jaar arbeid werd Rachel de vrouw van Jakob, maar hij kon Lea het verraad van Laban nooit vergeven.
De belevenissen van Jakob en Esau, Rachel en Lea, worden in maar liefst 12 hoofdstukken van Genesis weergegeven. Zijn droom in de plaats Betel, waar God hem grote rijkdom belooft, zijn strijd met God bij de rivier de Jabbok in genesis 32, waar hij de hele nacht worstelt met God.
En zijn naam die wordt gewijzigd in Israël, zijn strijd en aanvankelijke verzoening met Esau, de meesten van ons zullen vertrouwd zijn met deze verhalen.
Ze zijn echter te lang om in het bestek van deze overdenking te kunnen weergeven. Maar wat als een rode draad door Jakob en zijn familie loopt, is het onvermogen van Jakob om Lea de plek te geven die haar als eerste echtgenote toekwam en zijn uitgesproken voorliefde voor de zonen van Rachel, Joseph en Benjamin, dit met verwaarlozing van alle kinderen die Lea en haar slavinnen hem geschonken hadden. De ongelijke behandeling van de zonen en de dochter Dina van Lea tegenover de nakomelingen Joseph en Benjamin van Rachel werd een splijtzwam in deze ongelukkige familie.
Het geheel van het relaas van Genesis over de aartsvaders overziende, rijst de vraag wat de betekenis kan zijn van enerzijds de belevenissen van de verre van volmaakte aartsvaders en het zonder meer grillige gedrag van hun God.
Bij nauwkeurige lezing en analyse van Genesis wordt duidelijk dat God zich geleidelijk aan onttrekt aan het directe contact met mensen. Hij spreekt eerst nog met Adam en Eva, met Kaȉn, met Noach, met Abraham en met Jakob, maar in hoofdstuk 35 van Genesis staat droogjes: God ging van hem (Jacob) weg. Jacob zou geen ontmoetingen meer met God hebben. God blijft van nu af aan verborgen.
In Exodus verschijnt hij nog wel, maar niet meer in menselijke vorm. De God van Mozes benadrukt dat hij gescheiden is van wat menselijk is. De mensheid moet afstand bewaren en beseffen dat God essentieel anders en heilig is. En in de loop van het verhaal van Genesis wordt duidelijk hoe God dat heilige vorm gegeven wil zien. Het goddelijke, het heilige, schuilt in de omgang van mensen met elkaar zonder ingrijpen van God. Dat heilige wordt zichtbaar in de praktische toepassing door mensen van compassie met elkaar en de onversaagde strijd met de turbulente wereld van de menselijke psyche. Het verhaal over Joseph in Egypte over de omgang met zijn broers aan het eind van Genesis is er een illustratie van.
Ik zou er nog aan willen toevoegen dat de belevingswereld van de aartsvaders in het OT een totaal andere was dan die van ons moderne mensen. Wij zijn door de leringen van het christendom gewend om naar God te kijken als de bron van liefde en alle goeds. Maar Abraham, Isaäk en Jacob waren geen christenen. Zij leefden in een harde wereld die hun strijd en tal van teleurstellingen bracht. Uit hun aanvankelijk mondelinge overleveringen valt af te leiden dat zij de minder welgevallige gebeurtenissen in hun leven verklaarden met mythologische verslagen waarin de verantwoordelijkheid voor die gebeurtenissen toegerekend werden aan de grillen en luimen van het goddelijke. Dat inzicht maakt Genesis begrijpelijker en rijker als je er met deze literaire blik naar kijkt.