Walkartgemeenschap Zeist, Kerkweg 19-23, 3701 Zeist
Mr. drs. Johan de Wit is onze voorganger. Hij is in Leiden en in Kampen opgeleid tot jurist en theoloog. Naar eigen zeggen heeft hij zijn theologische studie ervaren als een heel uitgebreide cursus algemene ontwikkeling.
De verbeelding waartoe de menselijke geest in staat is, blijft hem verwonderen en vanuit die verwondering spoort hij ons aan tot zelfonderzoek.
Alles begint en eindigt bij het kennen van jezelf en wat ons is overgeleverd uit de oude boeken en met name de leringen en uitspraken van Jezus helpen ons daarbij. Door het filter van de man uit Nazareth kunnen wij de wereld anders zien dan wij gewend zijn en dat is, aldus Johan de Wit, het grote geheim van religieus zijn.
De vrijzinnigheid is voor hem de enige geloofsrichting waarin het raadsel van de verhouding tussen God en mens en ons bestaan in deze wereld op een aanvaardbare en voorstelbare manier ter sprake gebracht wordt.
Kern van de overdenking
Tegenover alles wat je ziet, tegenover de primitieve honger en het brute egoïsme dat uit die honger voortvloeit, tegenover de oorlog die voortkomt uit het egoïsme, is het mogelijk om daar een innerlijke houding van betrokkenheid op de medemens tegenover te stellen en die houding te delen. Alleen op die manier leven mensen als mensen met elkaar. Als de menselijkheid waarin hier sprake is, de norm zou zijn voor alle mensen, dan zou dat de hele bestaande wereldorde op zijn kop zetten.
Overdenking (licht en schaduw)
Een tekst uit een oude publicatie van een Nederlandse historicus:
Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen als de waanzin ineens uitbrak in een razernij, die onze arme Europese mensheid zou achterlaten in verstomping en verdwazing, met de motoren nog draaiend en de vlaggen nog wapperend, maar de geest geweken.
Overal twijfel aan de houdbaarheid van het maatschappelijk bestel waarin we leven, een vage angst voor de nabije toekomst, gevoelens van afkalving en ondergang van de beschaving. Het gaat daarbij niet alleen om de zorgen die ons kunnen overvallen in de ijle uren van de nacht, als de levensvlam laag brandt. Het gaat om reële verwachtingen, gebaseerd op waarneming en oordeel. De feiten overstelpen ons. We zien voor ogen hoe bijna alle dingen die eens vast en betrouwbaar leken wankel zijn geworden: waarheid en menselijkheid, rede en recht. We zien staatsvormen die niet meer functioneren, productiestelsels die op bezwijken staan. We zien maatschappelijke krachten die tot in het dolzinnige doorwerken. De dreunende machine van deze buitengewone tijd lijkt op het punt om vast te lopen.
Meteen dringt zich de tegenstelling op. Er is nooit een tijd geweest, waarin de mens zich zo bewust was van de noodzaak om samen te werken voor het behoud en de verbetering van de aardse welvaart en beschaving. Nooit eerder stond arbeid zo in aanzien. De mens was nog nooit zo bereid te werken en te wagen, zich op elk moment moedig en met zijn hele persoon in te zetten voor een algemeen welzijn. Hij heeft de hoop niet verloren.
Om deze beschaving te redden en te voorkomen dat ze wegzinkt in barbarij, om te zorgen dat ze met behoud van haar hoogste waarden overgaat in een nieuwe fase is nodig dat we kennis nemen van de oorzaken van het bederf dat wij om ons heen zien.
Het besef dat we midden in een hevige cultuurcrisis leven, is tot in brede lagen van de bevolking doorgedrongen. Dat betekent niet dat allen dit besef delen. Er zijn nog steeds optimisten die geloven dat het zo'n vaart niet zal lopen en alles zich ten goede zal keren. Maar dit optimisme is alleen weggelegd voor hen die op basis van hun politieke of maatschappelijke heilsleer de komende beschaving in de zak denken te hebben en zij die over de onwetende mensheid kunnen uitschudden.
Tussen deze twee tegengestelden, pessimisme en optimisme, staan degenen die de ernstige gebreken van het heden zien, die niet weten hoe die gerepareerd kunnen worden, maar die werken en hopen, die proberen te begrijpen en bereid zijn na te denken over de middelen om het tij te keren.
De door mij op ondergeschikte punten bewerkte tekst die ik las, komt uit de inleiding van het boek "In de schaduwen van morgen" van onze beroemde historicus Johan Huizinga, voor het eerst uitgegeven in 1939 en later, in 2019, hertaald door Carla du Pree. De zorg over de stand van onze beschaving die Huizing uitspreekt, stamt uit de jaren dertig van de vorige eeuw, maar die zorg is ook onze tijd volop aanwezig. Het betoog van Huizinga heeft niets aan actualiteit verloren.
Zo op het eerste gezicht lijkt de tekst van Johannes die ik voorafgaand aan deze overdenking las, van een geheel andere orde. Maar bij nadere beschouwing van de woorden van Jezus blijkt dit niet zo te zijn.
"Ik ben het licht der wereld", dat is de titel en het opschrift van dit hoofdstuk in het Johannes Evangelie. Jezus spreekt hier over zichzelf in de vorm van een metafoor. Licht is in het Johannes Evangelie een centraal begrip, eerst al in de proloog (het licht was bij God en de duisternis heeft het niet gegrepen) en later in de vertellingen over Jezus als wonderdoener en leraar. Maar het licht dat een mens verspreidt, is niet te vergelijken met het licht waarvan de zon de bron is. Wel is het zo dat dit zonlicht de absolute voorwaarde is voor het bestaan van alle leven op aarde en elk levend wezen op zoek is naar zijn eigen lichte plek.
Dat het licht zo'n grote rol speelt in het Johannes Evangelie heeft godsdienstwetenschappers op de gedachte gebracht dat Johannes de invloed van de gnosis heeft ondergaan en hij dit in zijn geschriften heeft verwerkt. De proloog heeft daar alles van en Johannes is dan ook meer dan de andere Evangelisten een auteur die plaats inruimt voor de mythe.
Bij hem komt de Zoon uit de hemel en is hij afkomstig van grote licht dat wij hier op aarde alleen kennen als de afschaduwing daarvan.
Er zijn therapeuten die hun patiënten een kuur voorschrijven in het zonlicht. Lichttherapie noemen wij dat. Ga wandelen, dansen, begeef je onder de mensen en drink een biertje, doe zomaar eens wat je prettig of zinvol vindt, de therapeut heeft er het volste vertrouwen in dat dat het antwoord is op de stemmingsstoornissen van zijn patient.
Jezus volgt een andere weg. Genezing zal niet komen door het bedenken van een recept voor ander gedrag of gewoonte. Als Jezus hier in het vierde Evangelie het beeld van het licht op zichzelf betrekt, op zijn eigen persoon, dan schuilt daarachter het weten dat een mens in zijn bestaansangst en zijn vertwijfeling door niets anders zal worden gerustgesteld dan door een menselijk iemand tegenover zich. Dit is de basis van alles wat Jezus als genezer doet en zegt en de lijnen die hij vanuit die basis ontwikkelt probeer ik hierna aan te geven.
Een menselijk iemand tegenover je. Dat is het geheim waar geen doktersverklaring en geen enkel recept ooit over zal gaan. Het enige wat de ander in de psychische nood van zijn eigen persoonlijke ervaring helpt, kan alleen maar een ander persoon zijn. Want de vraag van een vertwijfelde is: waarvoor ben ik hier? Wat is de bedoeling met mij? In samenhang met deze vraag treedt Jezus hier op. Hij wilde met zijn eigen persoon bereiken dat de mensen aan zijn zijde niet langer zouden rondlopen in het donker, in hun zielverduistering, in hun uitzichtloosheid. In duisternis verlies je de greep op jezelf, er is geen structuur meer en je kunt geen weg vinden uit de afgrond die je aanstaart,
Jezus wilde een antwoord geven op dat gevoel door te zeggen: Ik ben het licht. Het is de moeite waard om de ogen te openen en weer opnieuw naar deze onvolmaakte wereld te kijken met mijn ogen. Wat daar precies mee wordt bedoeld vertelt het Johannes evangelie ons niet. Maar we kunnen de bedoeling wel raden, namelijk: als de aanblik van de wereld je tegenstaat, als je ontsteld bent over het feit dat het hele leven in die wereld niets anders is dan een strijd op leven en dood en je die werkelijkheid als onverdraaglijk ervaart, dan is Jezus degene die je laat zien dat het ondanks alles mogelijk is om een heel kleine en toch oneindig sterke vorm van liefde te leven en te koesteren. Want het is mogelijk om menselijk te zijn en te worden in deze zo onmenselijk lijkende wereld.
Tegenover alles wat je ziet, tegenover de primitieve honger en het brute egoïsme dat uit die honger voortvloeit, tegenover de oorlog die voortkomt uit het egoïsme, is het mogelijk om daar een innerlijke houding van betrokkenheid op de medemens tegenover te stellen en die houding te delen. Alleen op die manier leven mensen als mensen met elkaar. Als de menselijkheid waarin hier sprake is, de norm zou zijn voor alle mensen, dan zou dat de hele bestaande wereldorde op zijn kop zetten.
Wij weten dat dat die norm er niet is, dat goedheid en menselijkheid niet "normaal" zijn in onze wereld. In het fragment dat wij hier bespreken komt dit met zoveel woorden aan de orde waar Jezus tegen zijn gesprekspartners zegt: "Jullie oordelen louter aards". En dat is in het Johannes Evangelie precies hetzelfde als bestaan in duisternis. Aards kun je opvatten als een leven dat geregeerd wordt door gebruikelijke psychologische en sociologische antwoorden. Je bent het kind van je ouders, je bent opgegroeid in een bepaald milieu en je behoort tot een bepaald nationaal, politiek en cultureel leefgebied. Dat zijn de voetsporen waarin je treedt.
Alle gedwongen bepalingen van je kindertijd schuif je daarom verder door je volwassen leeftijd heen en wat je was, zal tegelijk het lot voor je toekomst zijn. Als dat zo is, dan is het aardse leven nooit iets anders dan een herhaling van zetten: je leven is niets anders dan een overgangsfase in het proces van steeds maar weer dezelfde doelen en strevingen waaraan je vanaf je geboorte tot je dood bent onderworpen.
Ik denk dat ik niet te veel zeg als ik de uitspraken in het vierde Evangelie kenschets als een poging tot het ontwerpen en in standhouden van een nieuwe ethiek, een geheel andere dan waaraan we gewend zijn, een ethiek waarvoor nodig is dat de geestelijke houding van de mens moet veranderen.
Ter toelichting daarvan grijp ik nog even terug op de toestand van de wereld in deze dagen. Die wereld is op weg naar een ontkenning van absolute ethische waarden. We zien dat beschavingen elkaar naar het leven staan en alleen maar uit zijn op het voeren van strijd die tot de overheersing van de ene op de andere beschaving moet leiden. We dachten dat dit denken een einde had genomen toen de verdragen ter bescherming van de rechten van de mens en de menselijkheid na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwamen, maar die verdragen worden genegeerd en met voeten getreden. De vergadering van de Verenigde Naties, opgericht om te voorkomen dat tussen landen oorlogen worden gevoerd, is een tandeloze tijger die niets kan doen aan de waanzin van verwoestende oorlogen, oorlogen die een verdere ontkenning van enige ethiek tot inhoud zullen hebben.
Los van wat ik gezegd heb over de boodschap van het Johannes Evangelie kun je je afvragen waar het menselijk verantwoordelijkheidsgevoel is gebleven. We hoeven alleen maar te kijken naar de politieke verwarring in de wereld: overal zijn er verwikkelingen die dringend om een oplossing vragen en waarvan de onbevooroordeelde beschouwer erkennen moet dat nauwelijks een oplossing te bedenken is die niet ten koste gaat van gegronde belangen of van billijke wensen.
Het gaat om kwesties van nationale minderheden, van onmogelijk getrokken grenzen, van conflicten die hele bevolkingsgroepen massaal op de vlucht doen slaan, van ondraaglijke en uiterst onrechtvaardige economische verhoudingen. Elk van die toestanden leidt tot een verbittering die op ieder ogenblik de vlam in de pan kan doen slaan. Maar al te vaak staat een bepaald recht tegenover een ander bepaald recht en de beslissing lijkt maar op twee manieren mogelijk. De eerste is gewapend geweld en de voorbeelden daarvan zien wij dagelijks. De tweede manier is een regeling op grond van verregaande welwillendheid ten opzichte van elkaar en een wederzijds afzien van in de grond gerechtvaardigde eisen, met ontzag voor het recht en het belang van anderen, kortom van onbaatzuchtigheid en rechtvaardigheid. Eigenlijk niets anders dan andere woorden voor de menselijkheid van Jezus.
Deze tijd van geestelijke druk is gemakkelijker te dragen voor ouderen dan de generaties na hen. Enigszins cynisch kan de oudere zeggen dat het zijn tijd wel zal duren, maar voor onze kinderen en kleinkinderen breekt hoogstwaarschijnlijk een moeilijke tijd aan, een tijd waarin zij voortdurend zullen moeten kiezen, werken en handelen om de problemen op wereldschaal waarmee zij te maken krijgen het hoofd te kunnen bieden. En dat zal niet eenvoudig zijn, want hun tijd vraagt dan om een nieuwe cultuur.
Grote geestelijke en maatschappelijke veranderingen zullen nodig zijn. Wij weten dat die veranderingen niet zullen plaatsvinden van vandaag op morgen, maar dat ze zich heel geleidelijk zullen ontwikkelen. Maar we zijn er ook van overtuigd dat het ook in dat geleidelijke proces gaat om het terugvinden van eeuwige waarden. In dat proces zal de wal het schip moeten keren en een nieuwe cultuur moeten scheppen.
In die nieuwe cultuur zullen de generaties na ons het beginsel moeten hanteren dat de mens kan willen geen roofdier te zijn. Zo'n nieuwe levenshouding zal een overgave aan de hoogste waarden dienen te zijn.
Staat of volk of klasse of het persoonlijke bestaan kunnen dat hoogste niet zijn. Dat hoogste kan enkel de naam dragen van hem die sprak: "Ik ben het licht der wereld; ik ben de weg, de waarheid en het leven". Laat het onze kinderen en kleinkinderen gegeven zijn om dit te ontdekken en hun bestaan er op af te kunnen stemmen.