Walkartgemeenschap Zeist, Kerkweg 19-23, 3701 Zeist
Mr. drs. Johan de Wit is onze voorganger. Hij is in Leiden en in Kampen opgeleid tot jurist en theoloog. Naar eigen zeggen heeft hij zijn theologische studie ervaren als een heel uitgebreide cursus algemene ontwikkeling.
De verbeelding waartoe de menselijke geest in staat is, blijft hem verwonderen en vanuit die verwondering spoort hij ons aan tot zelfonderzoek.
Alles begint en eindigt bij het kennen van jezelf en wat ons is overgeleverd uit de oude boeken en met name de leringen en uitspraken van Jezus helpen ons daarbij. Door het filter van de man uit Nazareth kunnen wij de wereld anders zien dan wij gewend zijn en dat is, aldus Johan de Wit, het grote geheim van religieus zijn.
De vrijzinnigheid is voor hem de enige geloofsrichting waarin het raadsel van de verhouding tussen God en mens en ons bestaan in deze wereld op een aanvaardbare en voorstelbare manier ter sprake gebracht wordt.
Overdenking Zeist 6 september 2026 (verdraagzaamheid)
Bijbeltekst: Matt. 22: 34-40
Kern van de overdenking
Vrijzinnigen erkennen dat dat iedere uitspraak, of het nu een politieke stellingname of een geloofsuitspraak is, altijd een onvolmaakte en persoonlijke poging is om de waarheid onder woorden te brengen. En daarom zijn we terughoudend om ons eigen oordeel beter of hoger te achten dan dat van een ander.
Overdenking
Deze uitspraken die ik las zijn in wezen citaten uit het OT. Ze staan in Deuteronomium en in Leviticus. Om de uitspreken vruchtbaar te kunnen duiden, moeten we voor ogen houden dat liefhebben hier gebruikt wordt in de antiek -joodse betekenis. Het liefhebben is hier niet een gevoel, maar een manier van handelen. Het gaat in deze geboden om het omgaan met God en je naaste. Anders gezegd: hoe behandelt men zijn medemens. En de daaraan voorafgaande vraag is: God liefhebben en je naaste als jezelf, wat is dan op een juiste manier omgaan met God? De vraag wie God is, wordt hier niet gesteld.
Het antwoord ligt in het tweede gebod, waarvan gezegd wordt dat het aan het eerste gelijk is. Door de juiste wijze van omgaan met je medemens, in welke omstandigheid ook, wordt de liefde tot God duidelijk. Het tweede gebod geeft de inhoud en de uitleg van het eerste weer. In het joodse godsgeloof kan men God niet ter sprake brengen zonder de mens daarin te betrekken. Dat is de joodse kern van dit gebod. Maar je kunt dan vervolgens vragen: wie is mijn naaste en wat betekent dan je naaste liefhebben als je zelf?
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan is ons natuurlijk bekend. Een man ligt gewond aan de weg nadat hij door rovers voor dood is achtergelaten. Een priester en een Leviet liepen hem voorbij, maar een Samaritaan ontfermde zich over hem. En dan vraagt Jezus aan zijn gehoor: wie van de drie, de Leviet, de priester of de Samaritaan, is de naaste van de gewonde man?
Het is een aansprekende gelijkenis, die bijzondere elementen bevat. Een Samaritaan werd in joodse ogen geminacht, maar juist die bijna verstoten man trekt zich het lot van het slachtoffer aan, terwijl de priester en de Leviet het lieten afweten. Dat is voor de toehoorders van die tijd provocerend geweest en dat past in de leringen van Jezus. Maar zo absoluut als in het verhaal de dingen worden neergezet, zo komen die elementen in onze tijd niet voor en je moet je afvragen wat het liefhebben van de naaste in onze onoverzichtelijke wereld nog kan betekenen.
De Franse filosoof Paul Ricoeur is van mening dat die vraag naar de naaste geen filosofische, maar een maatschappelijke is. In het joodse denken is de naaste bij uitstek de vreemdeling, de onbekende op straat, lid van een ander volk of beweging dan de mijne. Als men dan spreekt van liefde voor de naaste bedoelt men eerder gastvrijheid dan aantrekkingskracht. Ik mag er zijn en jij mag er zijn. De naaste is in die opvatting een mens als jij. Je kunt ook zeggen dat liefde tot de naaste een vorm is van ethiek, een richtsnoer voor ethisch handelen.
De ethische opdracht richt zich erop om de vrijheid van de ander te laten lijken op mijn vrijheid. De ander, aldus Ricoeur, is mijn gelijke. Zijn uitleg over het begrip naaste doet denken aan wat Martin Buber daarover heeft gezegd. In de Bergrede ( Matt. 5-8) wordt terug gegrepen op het gebod in Matt. 22 met de woorden Alles wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten. Wij kennen deze regel als de gulden regel en die regel is al heel oud. Je komt hem al tegen bij Confucius, zo rond 500 voor Chr.
Een ander behandelen zoals je zelf behandeld wil worden. Als vrijzinnig denkende wil je hierop reflecteren, wil je nagaan wat dat gebod voor jou betekent in deze tijd die veel conflicten tussen diverse bevolkingsgroepen kent en waarin mensen via de sociale media de staf breken over elkaars uitgangspunten en leefwijzen. Geven wij de ander bij de naleving van dit gebod voldoende vrijheid, ruimte om anders te denken dan wat we gewend zijn.
Op het ogenblik staat de vrijzinnige traditie sterk onder druk. Onze tolerantie is voor velen te ver doorgeschoten, het poldermodel heeft afgedaan.
Het drugsbeleid kraakt in zijn voegen en ons euthanasie beleid wordt door sommigen in het buitenland met afgrijzen aanschouwd. En in de praktijk blijkt onze tolerantie maar een dun laagje beschaving.
Er is brede onvrede die soms ook wel eens als overdreven groot wordt gekenschetst. Maar die onvrede kan ook niet zomaar worden afgedaan als onzin, zij wijst wel degelijk op dieper liggende problemen. Verdraagzaamheid is altijd een kernwaarde van de vrijzinnigheid geweest, maar in het publieke leven vertoont die verdraagzaamheid tekenen van afkalving. Daarom is het goed om de waarden van de vrijzinnigheid nog weer eens in het licht te zetten zodat wij weten voor welke waarden wij stonden en nog staan.
Een vrijzinnige hecht grote waarde aan vrijheid. Als uitvloeisel daarvan zijn wij terughoudend in het beperken van de vrijheid van anderen en zijn wij behoedzaam als het erom gaat onze opvattingen aan anderen op te leggen.
Wij hebben respect voor het individuele geweten en gewetensbezwaren van anderen wuiven wij niet weg, maar nemen deze serieus. In het euthanasie debat bijvoorbeeld ruimen wij een grote plaats in voor het principe van de menselijke zelfbeschikking, maar we maken dat principe niet tot een alles overheersende overtuiging waarin geen plaats meer is voor de overtuigingen van andersdenkenden. Verdraagzaamheid staat bij ons hoog in het vaandel en er moeten zwaarwegende redenen zijn om mensen in hun vrijheid te beperken. Gewetensvrijheid is een groot goed en dient alleen in uiterste noodzaak opzijgezet te worden. Een voorbeeld daarvan is de verminking van vrouwen door besnijdenis, zeker bij jonge kinderen. Daar houdt de verdraagzaamheid op, want de mensenrechten en vrijheden van vrouwen zijn daar in het geding.
In de vrijzinnigheid ruimen wij ook een belangrijke plaats in voor democratie. Democratie kan wel eens vertragend en belemmeren werken als iedereen zijn zegje moet doen en de meningen over wat wenselijk is uiteenlopen, maar de vrije discussie die in een democratie plaatsvindt of behoort plaats te vinden, is een groot goed omdat nieuwe opvattingen dan tot hun recht kunnen komen.
Democratische besluitvorming leid niet altijd tot de best mogelijke oplossing, maar in ieder geval komt dan een besluit tot stand dat breed gedragen wordt. De tegenstanders verdragen de uitkomst, omdat ze vertrouwen op de eigen verantwoordelijkheid van mensen.
Bij democratie hoort als vanzelfsprekend ook vrijheid van meningsuiting. In beginsel mag iedereen zeggen wat hij wil, maar er zijn wel grenzen. Je kunt verdraagzaam zijn, maar als een imam betoogt dat homo's zondig zijn of varkens, dan komt zo'n uitspraak in conflict met het discriminatie verbod in onze grondwet en zijn we min of meer verplicht om dat aan de orde te stellen. Gemakkelijk is dat allemaal niet, maar de belediging van bevolkingsgroepen past niet in het morele denkraam van een vrijzinnige.
Een andere karakteristiek van vrijzinnigheid is het inzicht dat niemand de waarheid in pacht heeft. Dit inzicht houdt in dat wij ons in de omgang met andersdenkenden bescheiden opstellen omdat onze eigen opvattingen niet altijd de juiste hoeven te zijn. En die bescheidenheid kan ons ook stimuleren tot een houding van verdraagzaamheid. Vrijzinnigen erkennen dat dat iedere uitspraak, of het nu een politieke stellingname of een geloofsuitspraak is, altijd een onvolmaakte en persoonlijke poging is om de waarheid onder woorden te brengen. En daarom zijn we terughoudend om ons eigen oordeel beter of hoger te achten dan dat van een ander.
De vrijzinnige traditie achten we kostbaar en we zijn van mening dat die traditie ook voor anderen waardevol kan zijn. Maar we slaan onszelf niet op de borst dat wij er de juiste levenshouding op na houden, want ook andere tradities hebben hun goede kanten en overtuigingen. Natuurlijk, we kunnen bezwaren hebben tegen elementen van andere christelijke en niet-christelijke tradities.
Ik denk dan aan de achterstelling van vrouwen, de homovijandigheid en de rol van kerkelijke leiders als pausen en ayatollah's.
Als het goed is hebben we heldere standpunten en sterke overtuigingen en die kunnen we ook naar voren brengen. Vrouwenbesnijdenis mogen we niet accepteren. De kern van de mensenrechten met de daarbij behorende democratische beginselen en de rechtsstaat, die morele waarden mogen we nooit uit het oog verliezen. We kunnen er verdraagzaam tegenover staan, maar die verdraagzaamheid mag niet zover gaan dat we onze eigen opvattingen eraan ondergeschikt maken.
Ik ben me ervan bewust dat kritiek mogelijk is op hetgeen ik hiervoor over vrijzinnigheid en de daarbij horende verdraagzame houding heb gezegd. Want in onze tijd en in onze wereld is verdraagzaamheid ver te zoeken. Mijn verhaal is theorie, dat verwijt kan ik krijgen. En het is waar: er is veel onrecht dat niet wordt bestraft of hersteld, maar oogluikend wordt toegelaten omdat de machtsverhoudingen het niet mogelijk maken om er tegen op te treden. Maar dat wil nog niet zeggen dat het onzin is dat een vrijzinnige in deze verdeelde wereld zijn eigen waarden en ethische principes in stand wil houden. Het getuigt van zin om dat juist wel te doen, tegen de tijdgeest in.
Het is een mooi principe, verdraagzaamheid. Maar achter dat principe gaat ook vaak wezenlijk onrecht schuil. De uitsluiting van vrouwen en homo's in veel kerken is helaas nog altijd de werkelijkheid. Het is schrijnend onrechtvaardig dat vrouwen voor hetzelfde werk dat zij doen als mannen nog steeds minder betaald krijgen dan mannen. Het verdragen van dat onrecht is niet iets waardevols. We kunnen soms niet anders omdat we in veel gevallen moeten erkennen dat aan het onrecht niets te doen is. Maar dan moeten we ons niet verschuilen achter verdraagzaamheid, want dat houdt het onrecht alleen maar in stand.
Als we het hebben over een tolerante houding, over verdraagzaamheid, dan denken we vaak aan de problematiek van immigranten, maar dat is een te beperkte blikrichting. Het probleem speelt ook binnen de autochtone Nederlandse cultuur, bijvoorbeeld rond de SGP of orthodoxe christenen die geen gelijke rechten voor vrouwen willen en homoseksualiteit veroordelen. Dan moet je grenzen trekken, je kunt niet eindeloos tolereren wat in strijd is met een gelijke behandeling van mensen in gelijke gevallen.
Verdraagzaamheid is een bouwsteen voor een bepaalde morele overtuiging. Met daarbij de ethiek die de medemens ziet als de mens die wij zelf zijn. Vrijzinnigheid wordt vaak als iets van zelf sprekend gezien, als iets dat we verder niet hoeven doordenken of verdedigen. Maar dat is niet het geval, want vrijzinnigheid is een kwetsbare houding. De waarden waar vrijzinnigen voor staan, zijn in het huidige maatschappelijke klimaat geen algemeen gedeeld gedachtegoed. Als we er niet meer bewust bij stilstaan, verdwijnen die waarden geleidelijk steeds meer naar de achtergrond, dat proces is al gaande. En dat dat zo is, maakt het noodzakelijk om steeds weer opnieuw een eigentijdse invulling te geven aan de vrijzinnige traditie.
Ik heb daartoe in het voorgaande een poging gedaan. Of het een zinloze of juist zinvolle poging was, laat ik graag aan jullie oordeel over. Gezien het feit dat jullie allemaal vrijzinnigen zijn mag ik hopen dat het oordeel op zijn minst genuanceerd zal zijn.